Waarom bedrijfsartsen verschillend oordelen bij arbeidsconflicten
Bedrijfsartsen verschillen sterk in hun beoordeling van werknemers die zich ziekmelden na een arbeidsconflict. Dat blijkt uit onderzoek van Raza Sargany, dat hij deed tijdens zijn opleiding bij NSPOH. Hij legde een fictieve casus voor aan tien (bedrijfs)artsen: vier beoordeelden de werknemer als arbeidsongeschikt, zes niet. Het verschil zat vooral in de vraag of artsen alleen naar het dagverhaal keken, of ook de voorgeschiedenis en psychische kwetsbaarheid meenamen. “Het gaat niet om goed of fout, maar om de vraag of je je oordeel goed kunt beargumenteren”, zegt Sargany.
Arbeidsconflicten komen volgens Sargany veel voor in de praktijk van de bedrijfsarts. Het kan gaan om een conflict met een collega, maar vaker ziet hij verticale conflicten tussen werknemer en werkgever. Bijvoorbeeld over werkdruk, functioneren, verlof of arbeidsvoorwaarden. “Iemand meldt zich ziek, en dan komt al snel de vraag: is deze persoon medisch ziek, of is dit een normale reactie op een conflict?”
Bedrijfsarts als scheidsrechter
Die beoordeling is ingewikkeld, merkt Sargany ook zelf als aios bedrijfsgeneeskunde. “De bedrijfsarts wordt in dit soort situaties soms echt als scheidsrechter gezien. Maar een uitspraak kan verregaande gevolgen hebben voor werknemer en werkgever.” Juist daarom wilde hij onderzoeken welke argumenten bedrijfsartsen gebruiken om iemand wel of niet arbeidsongeschikt te verklaren.
De bedrijfsarts wordt in dit soort situaties soms echt als scheidsrechter gezien. Maar een uitspraak kan verregaande gevolgen hebben voor werknemer en werkgever.
Voor zijn onderzoek maakte Sargany een fictieve casus van een werknemer met klachten na een arbeidsconflict. Daarbij was de situatie bewust niet zwart-wit. Wie strikt naar de NVAB-richtlijn Arbeidsconflicten keek, kon concluderen dat iemand niet arbeidsongeschikt was. Maar in de casus speelde ook een psychische kwetsbaarheid mee. Dat maakte de beoordeling minder eenduidig.
Richtlijn en context
De uitkomsten bevestigden zijn gevoel uit de praktijk: bedrijfsartsen wegen niet allemaal dezelfde factoren mee. Artsen die de werknemer niet arbeidsongeschikt vonden, hielden zich vaak strak aan de richtlijn. Artsen die wél tot arbeidsongeschiktheid kwamen, keken vaker naar de bredere context, zoals de voorgeschiedenis, behandeling en psychische kwetsbaarheid van de werknemer.
Geen enkele richtlijn kan alles ondervangen. In de sociale geneeskunde is het zelden zwart-wit.
Volgens Sargany betekent dat niet dat de richtlijn tekortschiet. “Geen enkele richtlijn kan alles ondervangen. In de sociale geneeskunde is het zelden zwart-wit. Je hebt altijd te maken met de individuele situatie.” Wel vindt hij dat bedrijfsartsen zich bewust moeten zijn van hun verantwoordelijkheid. “Je kunt pas je eigen beargumenteerde invulling geven als je de richtlijn kent.”
Een conclusie is nog geen argument
Het belangrijkste inzicht uit zijn onderzoek is daarom het belang van goed beargumenteren. “Zeggen dat iemand niet ziek is omdat het ‘een normale reactie’ is, vind ik een conclusie en geen argument. Je moet kunnen uitleggen welke feiten en overwegingen tot je oordeel leiden.” Dat geldt ook als een andere bedrijfsarts tot een andere conclusie zou komen. “Als je zorgvuldig hebt gekeken, de richtlijn kent en je advies kunt onderbouwen, dan handel je professioneel.”
Bedrijfsartsen kunnen er ook voor kiezen om een time-out in te zetten bij een arbeidsconflict. Hiervoor gelden duidelijke kaders, maar Sargany ziet dat de toepassing van zo’n time-out soms verwarrend is. Het biedt ruimte om werknemer en werkgever tijdelijk afstand te laten nemen, zodat zij daarna met elkaar in gesprek kunnen. Maar dat is iets anders dan zeggen dat iemand niet ziek is én tegelijk niet kan werken. “Dat rijmt niet met elkaar. Als iemand kan werken, is diegene arbeidsgeschikt. Als iemand niet kan werken door klachten, dan is diegene arbeidsongeschikt.”
Bewustwording
Volgens Sargany vraagt dit vooral om meer bewustwording binnen de beroepsgroep. Bedrijfsartsen moeten niet te stellig aannemen dat collega’s hetzelfde oordeel zouden geven. “Blijf met elkaar in gesprek, bijvoorbeeld in intervisie. Vergelijk je eigen afwegingen met die van anderen. Dan zie je beter waar je eigen interpretatie zit.”
Zelf neemt hij uit zijn onderzoek mee dat hij niet blind wil varen op de richtlijn, maar wel altijd vanuit die richtlijn wil redeneren. “Je moet kijken naar de hele persoon en de context. Maar uiteindelijk moet je kunnen uitleggen waarom je tot een bepaald advies komt. Dat is volgens mij de kern.”
Aios bij NSPOH doen praktijkgericht onderzoek, net als Raza Sargany. Benieuwd naar andere onderzoeken? Bekijk ze hier.
Het laatste nieuws