Plantaardig opvoeden en de JGZ: ouders ervaren vaak scepsis
Eén op de drie ouders die hun kind plantaardig opvoeden bespreekt dat niet met de jeugdgezondheidszorg (JGZ). Dat blijkt uit onderzoek van jeugdarts Vassia Ivanova dat zij deed tijdens haar opleiding bij NSPOH. “Ze zijn bang voor kritiek en niet zonder reden. Er komt namelijk ook vaak een negatieve reactie.” Ivanova ziet ruimte voor verbetering, omdat dit juist ouders zijn die zich heel bewust en goed verdiepen in voeding.
Van de ouders die het wél aankaarten, ervaart 26% een sceptische, negatieve of afwijzende reactie van een professional. 46% krijgt een onwetende of neutrale houding terug en 28% ervaart een positieve reactie. “Dat laat zien dat daar nog veel verbeterd kan worden”, aldus Ivanova. Vijf ouders gaven zelfs aan (tijdelijk) te zijn gestopt met het bezoeken van de JGZ. “Dat is echt zonde. Juist dan mis je de kans om ouders goed te begeleiden.”
Ivanova werkt als jeugdarts bij GGD Zuid-Limburg en ziet op het consultatiebureau kinderen van ongeveer min negen maanden tot vier jaar. Ze vindt plantaardig eten en de JGZ een belangrijk onderwerp, maar vanuit haar omgeving merkt ze onbegrip. Daarom wilde ze onderzoeken hoe ouders reacties vanuit de JGZ ervaren. In haar onderzoek bracht Ivanova in kaart in hoeverre ouders een plantaardig voedingspatroon van hun kind bespreken met de JGZ, welke reacties zij daarbij ervaren en of dat gevolgen heeft voor het contact met de jeugdgezondheidszorg.
Aannames over tekort voedingsstoffen
Volgens Ivanova spelen onwetendheid en het ‘buitenbeentje’-stigma rond plantaardig eten een grote rol. Ouders verwachten kritiek of waarschuwingen over voedingstekorten. “Terwijl veel ouders juist heel bewust kiezen en zich goed inlezen.” Als er zorgen zijn, gaan die vaak over voedingsstoffen zoals vitamine B12. Ivanova: “Het valt of staat met kennis: wanneer is suppletie nodig, welke producten zijn verrijkt en hoe maak je het praktisch voor ouders?”
Veel ouders kiezen juist heel bewust en lezen zich goed in.
In reacties die ouders terugkrijgen, hoort Ivanova regelmatig hardnekkige aannames, zoals dat een kind ‘rood vlees nodig heeft’ of dat plantaardige alternatieven per definitie te veel suiker, zout en/of vetten bevatten. “Als professional wil je kunnen uitleggen wat wel en niet klopt, en vooral: samen met ouders kijken hoe je zorgt voor een volwaardig voedingspatroon.”
Dier als tussenmiddel
Daarbij gaat het voor veel ouders niet alleen om gezond eten, maar ook om klimaat en milieu. “Je ziet dat voeding vaak wordt besproken alsof het puur een individuele keuze is, terwijl ouders óók kijken naar de impact op de planeet en op dierenwelzijn.” In dat licht valt haar nog iets op: sommige voedingsstoffen die professionals koppelen aan dierlijke producten, zoals vitamine B12 en omega 3, komen uiteindelijk niet ‘uit’ het dier zelf.
Waarom zouden we het dier als tussenstap gebruiken, als je dezelfde bouwstenen ook direct kunt halen?
“B12 wordt door micro-organismen gemaakt en belandt in de keten via supplementen of verrijking; en omega 3 komt oorspronkelijk uit algen. Dan is de vraag: waarom zouden we het dier als tussenstap gebruiken, als je dezelfde bouwstenen ook direct uit supplementen kunt halen?” Ouders die hun kinderen plantaardig opvoeden zijn dus juist bezig met de wereld van morgen en de gezondheid van hun kind en kleinkind. “Deze ouders verdienen complimenten en niet dat artsen hen benaderen als ‘bijzonder’.”
Wat kunnen JGZ-professionals doen?
Ivanova ziet een duidelijke rol voor de JGZ, juist omdat consultatiebureaus vrijwel alle kinderen zien. “Als wij plantaardig eten blijven benaderen als ‘bijzonder’, bevestigen we het stigma.” Ze is positief over de vernieuwde Schijf van Vijf, waarin meer nadruk ligt op plantaardige keuzes. “Dat helpt de maatschappelijke norm verschuiven. Maar in de praktijk hebben professionals ook scholing en concrete handvatten nodig.”
Volgens Ivanova kunnen JGZ-professionals het onderwerp verder normaliseren door bij de intake standaard een open vraag te stellen, bijvoorbeeld of er voedingskeuzes of overtuigingen zijn waar rekening mee gehouden kan worden. Daarnaast helpt het om altijd door te vragen naar de motivatie van ouders, omdat zo sneller duidelijk wordt hoe bewust en goed doordacht hun keuzes zijn. Tegelijkertijd vraagt dit van professionals dat zij ook hun eigen drempels onder ogen zien: onwennigheid of beperkte parate kennis kan meespelen, en juist door dat te herkennen, ontstaat ruimte om eraan te werken.
Meer weten
Voor Ivanova raakt het onderwerp ook aan haar eigen ervaring. “Ik weet hoe het voelt om je een buitenbeentje te voelen door je voedingskeuzes. Juist daarom hoop ik dat we in de JGZ een veilige plek kunnen zijn waar ouders het wél durven te bespreken.”
Aios bij NSPOH doen praktijkgericht onderzoek, net als Vassia Ivanova. Benieuwd naar andere onderzoeken? Bekijk ze hier.
Het laatste nieuws