Ga naar de inhoud

Tekort aan jeugdartsen oplossen: meer bevoegdheid maakt het vak aantrekkelijker

Jeugdartsen willen meer verantwoordelijkheid, meer kunnen behandelen en meer ruimte om buiten de spreekkamer te werken. Dat concludeert Pieter Paul Dirksen uit het onderzoek dat hij deed tijdens zijn opleiding bij NSPOH. Door het vak uitdagender te maken, hoopt hij dat het tekort aan jeugdartsen wordt opgelost. “Als jeugdartsen meer ruimte krijgen om hun expertise te gebruiken, wordt het nog aantrekkelijker, ook voor de nieuwe generatie.” 

Dirksen is arts Maatschappij + Gezondheid en werkt als jeugdarts bij de GGD Friesland en als docent sociale geneeskunde aan het UMC Groningen. Sinds hij jeugdarts is, hoort hij over de aanhoudende tekorten en ziet hij het als zijn missie om anderen te inspireren voor het vak. “Ik ben ooit jeugdarts geworden omdat ik iets met kinderen én preventie wilde doen. Dat kwam in mijn geneeskundeopleiding nauwelijks aan bod, en dat wil ik nu veranderen.” 

Hij onderzocht hoe aantrekkelijk verschillende beroepskenmerken beoordeeld worden, aan de hand van een studie die zijn begeleider Marc Soethout eerder deed. Dat leverde 87 ingevulde vragenlijsten op van jeugdartsen uit Groningen, Friesland en Drenthe. Zij beoordeelden het werken met kinderen, het voorkomen van ziekte en communicatie als meest aantrekkelijk. Ook variatie en autonomie werden genoemd als sterke pluspunten van het vak, terwijl de vele spreekuren en de beperkte ruimte om hun expertise breder in te zetten juist minder aanspraken. Volgens Dirksen geeft dit duidelijk richting: “Nu we weten welke elementen belangrijk zijn voor jeugdartsen, kunnen we daar gericht iets mee.” 

Hoe lossen we het tekort aan jeugdartsen op? 

Op basis van zijn onderzoeksresultaten ziet Dirksen kansen om jeugdartsen meer te laten doen: van heupecho’s maken (opent in nieuw tabblad) tot het voorschrijven van medicijnen. Ook zag hij dat veel jeugdartsen graag kinderen over een langere periode willen volgen. Ze kunnen dan meer betekenen in het signaleren en begeleiden van kinderen met een ontwikkelingsachterstand. “Bijvoorbeeld bij achterblijvende spraak- en taalontwikkeling, groeiachterstand of zindelijkheidsproblematiek waarvoor geen medische oorzaak is gevonden”, legt Dirksen uit. Dat past bij de kracht van de jeugdarts, vindt hij. “Het combineren van medische kennis met preventie en continuïteit in de zorg. Zo kunnen we vroeg signaleren en bijdragen aan gerichte preventie op populatieniveau.” 

Jeugdartsen willen kinderen graag over een langere periode volgen. Ze kunnen dan meer betekenen in het signaleren en begeleiden bij een ontwikkelingsachterstand.

Dat levert ook zorgwinst op, omdat die zorg dan weggaat bij huisartsen en kinderartsen, ziet Dirksen. “Dat maakt het niet alleen efficiënter, maar ook goedkoper.” Daarnaast pleit Dirksen voor taakherschikking: sommige taken kunnen worden overgedragen aan jeugdverpleegkundigen, zoals op veel plekken al voorzichtig gebeurt. Jeugdartsen krijgen zo meer tijd voor onderzoek, het geven van onderwijs of samenwerking met gemeenten. “Dat maakt het werk van beide professionals uitdagender. Als je mensen de ruimte geeft om te groeien, trek je nieuwe collega’s aan en houd je ze langer vast.” 

Jeugdartsen krijgen zo meer tijd voor onderzoek, het geven van onderwijs of samenwerking met gemeenten. 

Dirksen ziet bijvoorbeeld een belangrijke rol voor jeugdartsen bij het signaleren van bredere gezondheidsproblemen. Ze zien trends vaak als eerste: bijvoorbeeld meer overgewicht in een wijk of achterstanden in taalontwikkeling. Op basis daarvan kunnen jeugdartsen onderzoek doen en in gesprek met gemeenten bepalen wat er nodig is om die problemen aan te pakken. “Zo werk je niet alleen aan individuele zorg, maar ook aan gezondheid op populatieniveau”, zegt hij. Dat past volgens Dirksen precies bij waar veel jeugdartsen behoefte aan hebben: meer ruimte om hun expertise buiten de spreekkamer te benutten. 

Meer zichtbaarheid sociale geneeskunde

Naast zijn werk bij GGD Friesland is Dirksen universitair docent sociale geneeskunde. Hij wil studenten enthousiast maken voor het vak, dat in veel basisopleidingen op dit moment nog weinig aandacht krijgt. Gelukkig is er een positieve trend ingezet waarbij er in het curriculum steeds meer ruimte voor de sociaal geneeskundige vakgebieden komt, ziet Dirksen. In zijn colleges over de JGZ gaan studenten met elkaar in gesprek over echte casussen. Zo ervaren ze hoe veelzijdig het vak is. “Als we dat beter laten zien, en de nodige aspecten toevoegen, bieden we de studenten een kans om bewust voor deze richting te kiezen.”

Ik hoor terug dat studenten enthousiaster zijn over alle vakgebieden binnen de sociale geneeskunde.

In Groningen ziet hij al effect. “Ik hoor terug dat studenten enthousiaster zijn over alle vakgebieden binnen de sociale geneeskunde.” Dat is ook hard nodig, vindt hij. Want uit onderzoek in 2022 blijkt dat slechts 8% van de geneeskundestudenten interesse heeft in de sociale geneeskunde. “Door meer zichtbaarheid en meer variatie denk ik dat daar echt verandering in gaat komen.” 

Meer weten

Aios bij NSPOH doen praktijkgericht onderzoek, net als Pieter Paul Dirksen. Benieuwd naar andere onderzoeken? Bekijk ze hier. 

Het laatste nieuws