Ga naar de inhoud

Behoeftepeiling actuele en nauwkeurige polleninformatie

Over dit artikel

Samenvatting

Inleiding/doel: Het pollenseizoen verloopt extremer en duurt langer, o.a. door klimaatverandering. Sinds jaren ’60 worden pollenmetingen handmatig, retrospectief verricht. Nieuwe, geautomatiseerde pollentellers dragen bij aan actuele, nauwkeurige polleninformatie en -voorspellingen; relevant voor landbouw, wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van klimaatverandering en de hydrologische cyclus én de diagnose en behandeling van pollenallergie a.k.a. hooikoorts. In 2020 heeft het RIVM geadviseerd aan VWS om te investeren in een geautomatiseerd pollenmeetnetwerk in Nederland. Een belangrijke veronderstelling daarbij was dat deze polleninformatie hooikoortspatiënten ondersteunt voor gedragsverandering, waardoor idealiter de ziektelast daalt. In 2021 is een vragenlijst hierover globaal geanalyseerd, maar de behoefte ontstond voor nadere analyse en verdere verdieping. 

Methoden: Mid- en pre-pollenseizoen vragenlijst. 

Resultaten: 3493 inclusies (2532 uit 2021 en 961 uit 2024). Gerapporteerde hooikoortsklachten omvatten jeuk van oog, neus of anders (94,4%), niezen (93,7%), loopneus (79,2%), verstopte neus (75,4%) en ademhalingsproblemen (40,8%). Deze klachten worden ervaren als zwaar (9,8%), redelijk zwaar (43,9%), niet licht/niet zwaar (35,4%), redelijk licht (8,6%) en licht (2,1%). De hooikoortsklachten beïnvloeden het dagelijks leven tenminste in redelijke mate voor 74,9% van de deelnemers; minste invloed op rijvaardigheden, dan sociale leven en werk- of schoolprestaties en meeste invloed op slaapkwaliteit of -patroon. 93,3% van de deelnemers gebruikt hooikoortsmedicatie, waarvan 22,1% gedurende het hele jaar, 50,1% gedurende een bepaalde periode continu en 24,0% gedurende een bepaalde periode af en toe. Het belangrijkste moment om te starten met medicatie is als hooikoortsklachten beginnen (57,5%), gevolgd door als hooikoortsklachten verergeren (22,9%) of vóór de start van het pollenseizoen (8,9%). Voor 13,8% helpt medicatie in helemaal niet of nauwelijks hooikoortsklachten te verminderen of voorkomen, voor 52,8% in redelijke mate en voor 28,8% in hoge tot zeer hoge mate. 58,1% neemt naast medicatie nog andere maatregelen om hooikoortsklachten te verminderen of voorkomen. 35,4% denkt dat actuele en nauwkeurige polleninformatie kan bijdragen aan het omgaan met hooikoortsklachten, 26,1% denkt niet, 38.5% twijfelt. In de open antwoorden wordt vooral getwijfeld aan de haalbaarheid van overige gedragsinterventies om hooikoortsklachten te verminderen of voorkomen. 

Conclusie: Juist bij de grote groep hooikoortspatiënten die pas start met medicatie als klachten al begonnen zijn of verergeren (80,4%) is veel gezondheidswinst te behalen door op basis van actuele en nauwkeurige polleninformatie eerder te beginnen met medicatiegebruik. De te behalen gezondheidswinst door overige gedragsinterventies op basis van polleninformatie wordt door deelnemers ingeschat als beperkt. 

Bekijk ook

Symposium Onderzoek OH – 2019

Symposiumverslag

Aios in opleiding bij de NSPOH voeren tijdens de opleiding een onderzoek uit, waarvan ze verslag doen in een artikel....

Eerste covid-19-patiënten in Noord-Nederland

Marleen Luning-Koster - PH167

Wetenschappelijke publicatie

Met deze kwalitatieve studie zijn de ervaringen van COVID-19-patiënten met de informatievoorziening, het bron- en contactonderzoek en de maatregelen tijdens...

Effectiviteit en efficiëntie van postmortaal toxicologisch bloedonderzoek voor het achterhalen van de aard van overlijden

Fleur Griep - FG004

Wetenschappelijk conceptartikel

In Nederland bestaat momenteel geen uniform beleid omtrent de inzet van postmortaal toxicologisch bloedonderzoek. Deze interregionale variatie heeft mogelijk invloed...